In het eerste en tweede trimester van de zwangerschap heeft de baby nog alle ruimte om te bewegen. In deze periode kunnen kinderen op elke manier liggen zonder dat de verloskundige zich hier zorgen over maakt. Hoewel de meeste kinderen rond de 30 weken met het hoofd naar beneden liggen is het niet erg als een kind nog in stuit of dwars ligt. Tot een termijn van 36 weken hebben kinderen nog de kans om zelf te draaien tot een hoofdligging. Bij de uitgerekende datum ligt 3-4% van de kinderen in stuitligging en ongeveer 1% in dwarsligging (Stichting Perinatale Registratie Nederland, 2014). Na deze termijn zal de verloskundige je vertellen over de uitwendige versie. Hierbij wordt geprobeerd het kind uitwendig te draaien van een stuit of dwarsligging naar een hoofdligging. Als het uitwendig draaien lukt en het kind in hoofdligging blijft liggen kun je normaal vaginaal bevallen en mag je vaak ook terug naar de verloskundige (Verburgt & Offerhaus, 2006).

In Nederland worden drie soorten liggingen gehandhaafd zoals;

  1. Hoofdligging: hoofd naar beneden
  2. Stuitligging: met de billen naar beneden
  3. Dwarsligging: hoofd links of rechts in de buik

Onder deze soorten liggingen zijn subgroepen beschreven. Bij een hoofdligging ligt het kind met het hoofd naar beneden wat de kans op een spontane bevalling vergroot. Echter is de stand van het hoofd een belangrijke factor hoe een bevalling verloopt. Een bekende afwijkende stand is een sterrenkijker. Hierbij kijkt het kind naar het schaambot in plaats van het staartbeen (stuitje). Hierdoor is de omtrek van het hoofd groter. Andere afwijkende liggingen kenmerken zich door de mate waarop een kind met de kin op de borst ligt. Hoe meer de kin op de borst ligt hoe makkelijker de bevalling gaat. Eventuele afwijkingen zijn tijdens de zwangerschap niet van waarde. De invloed van weeën en indaling leidt vaak dat kinderen alsnog goed gaan liggen. Bij een afwijkende ligging zal de verloskundige vaak het advies geven om een andere houding aan te nemen om de kans op draaien of veranderen van ligging na te streven.

Bij een stuitligging kan het kind met de benen gestrekt langs het lichaam liggen, met opgetrokken knieën of een combinatie hiervan. Een kind dat in stuitligging ligt kan vaginaal geboren worden. Echter zijn bij een stuitbevalling meer complicaties beschreven, zoals het uitzakken van de navelstreng waardoor een spoedkeizersnede nodig is en is er relatief meer kans op letsel en nood bij het kind. Bij een stuitligging zal de verloskundige je doorsturen naar het ziekenhuis. Hier zal de gynaecoloog in gesprek gaan voor het uitwendig draaien van de baby. Indien de versie mislukt of je kiest ervoor deze niet te laten uitvoeren zullen er gesprekken plaats vinden hoe je wilt bevallen waarbij je de keuze hebt tussen vaginaal of een keizersnede. In deze gespreken worden de voor- en nadelen besproken van beide opties, waarbij gekeken wordt naar jouw specifieke situatie. De gynaecoloog zal je ondersteunen bij het maken van de keuze. In Nederland gaat de voorkeur uit naar een ziekenhuisbevalling bij een stuitbevalling door het toegenomen risico op complicaties.

Blijft een dwarsligging bestaan is het onmogelijk om vaginaal te bevallen en zal een afspraak worden gemaakt voor een keizersnede (Dorr, Khouw, Jacquemyn, Chervenak, & Nijhuis, 2014).

Liefs, Francis
Verloskundige (i.o.)

Bronnen
Dorr, P., Khouw, M., Jacquemyn, Y., Chervenak, F., & Nijhuis, J. (2014). Obstetrische interventies. Bohn Stafleu van Loghum.
Stichting Perinatale Registratie Nederland. (2014). PRN-Jaarboek 2013. Utrecht: Perinatale Registratie Nederrland.
Verburgt, T., & Offerhaus, P. (2006). KNOV-standpunt ‘Uitwendige Versie’. Deventer: KNOV.