Nadat de bevruchting heeft plaatsgevonden gaat het klompje cellen delen en vermenigvuldigd het zich tot een grote bal met cellen. Na een aantal dagen ontwikkeld dit klompje cellen zich verder in twee gedeelten. Hiervan groeit een deel verder tot baby, het andere gedeelte ontwikkeld zich tot de placenta en navelstreng.

In eerste instantie voedt het klompje cellen zichzelf. Na een bepaalde tijd is dit niet genoeg meer. Het klompje cellen, de embryo, gaat zich innestelen in de baarmoeder. Dit gebeurt ongeveer 7 dagen na de bevruchting en duurt een kleine week. Het stuk weefsel waar de embryo zich gaat innestelen is al gevormd voor de bevruchting. Dit ontwikkeld zich verder en de kant die tegen de wand van de baarmoeder aan komt te liggen wordt de placenta.

Het klompje cellen maakt gebruik van de moederlijke circulatie waardoor een uitwisseling plaatsvindt tussen moeder en kind. Vanaf ongeveer 12 weken zwangerschap is er sprake van een utero placentaire circulatie. Dit houdt in dat er vanaf dat moment uitwisseling plaatsvindt tussen het bloed van de moeder en het kind (Prins, Roosmalen, Scherjon, & Smit, 2014).

Waar dit is in de baarmoeder is, is bij iedereen anders. De placenta kan op de voorwand liggen (tegen jouw buik aan), achterwand (tegen jouw rug aan), zijkant etc. Af en toe komt het voor dat de placenta zich ontwikkeld vlak bij of over de baarmoedermond. Als dit zo is wordt gesproken van een laag liggende placenta. Als er sprake is van een laag liggende placenta of een placenta die voor de uitgang ligt (placenta praevia) kan dit als gevolg hebben dat je niet vaginaal kunt bevallen.

De placenta voorziet de baby van voedingstoffen en zuurstof zolang de baby nog niet geboren is. Een laag liggende placenta komt niet heel vaak voor, ongeveer 0,3-0,5% (Prins, Roosmalen, Scherjon, & Smit, 2014). Als de placenta op de voorwand ligt, kan dit er toe leiden dat je de bewegingen van je kindje iets later voelt dan gemiddeld. Dit is niet iets om je zorgen over te maken. Je kan het zien als een extra laag waardoor de bewegingen minder duidelijk voelbaar zijn.

Naast de verschillende plaatsen waar een placenta zich kan lokaliseren, zijn er ook veel verschillende vormen en maten van placenta’s. Elke placenta op zich is uniek. Om een beeld te geven is een placenta rond de uitgerekende datum een schijf met een diameter van 15-24 centimeter, een dikte van 3 cm en gemiddeld 500 gram. Het gewicht en de grootte van de placenta is ook afhankelijk van het kind en het kinds gewicht (Prins, Roosmalen, Scherjon, & Smit, 2014).

Bij de twintig weken echo wordt altijd gekeken naar de ligging van de placenta en zullen ze je dit ook vertellen. Indien blijkt dat de placenta laag ligt wordt er later in de zwangerschap rond 30-32 weken opnieuw een echo gemaakt.

Over het algemeen is sprake van één placenta. Het kan wel voorkomen dat deze uit verschillende delen bestaat. Dit komt in 2-3% van de zwangerschappen voor (Heijneman, Evers, Massuger, & Steegers, 2007). Een placenta kan uit twee even grote delen bestaan die alleen bij elkaar gehouden worden door bloedvaten van het kind die door de tussenliggende vliezen lopen. Verder kan er ook sprake zijn van een bijplacenta. Over het algemeen is dit hetzelfde alleen hierbij is één van de twee delen groter dan het andere gedeelte. Wanneer dit gebeurt, is de kans groot dat het tweede en kleinere gedeelte gemist wordt en in de baarmoeder blijft (Heijneman, Evers, Massuger, & Steegers, 2007). Na de geboorte van de placenta zal de placenta goed nagekeken worden.

Liefs, Francis
Verloskundige (i.o.)

Bronnen
Heijneman, M., Evers, J., Massuger, L., & Steegers, E. (2007). Obstetrie en gynaecologie. Maarssen: Elsevier gezondheidszorg.
Nederlandse Vereniging van Obstetrie en Gynaecologie. (2008). Bloedverlies in de tweede helft van de zwangerschap. Utrecht: NVOG.
Prins, M., Roosmalen, J. v., Scherjon, S., & Smit, Y. (2014). Praktische Verloskunde. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.