Een cardiotocograaf, ook wel CTG, is een apparaat waarbij de conditie van de baby in relatie met de activiteit van de baarmoeder vanaf 26 weken zwangerschap bepaald kan worden (Sundstrom, Rosén, & Rosén, 2000). In Nederland wordt dit instrument enkel in het ziekenhuis gebruikt als basisfunctie voor het bepalen van de conditie van de baby. Dit kan zowel gedaan worden tijdens de zwangerschap als tijdens de bevalling. Meestal wordt gebruik gemaakt van het uitwendig CTG, maar inwendig is ook mogelijk. Hierover later meer. Het uitwendig apparaat bestaat uit twee transducers. Dit zijn twee ronde schijven die op de buik worden gelegd en vastgemaakt worden met elastische banden om ze op hun plaats te houden. Eén van de schijven heeft een sensor die de weeën activiteit kan registreren. De andere schijf werkt met ultrageluid (Heijneman, Evers, Massuger, & Steegers, 2007). Dit is te vergelijken met een echo zonder beeld of het apparaat waarmee het hartje van de baby beluisterd kan worden. De registratie van het CTG duurt minimaal een half uur tijdens de zwangerschap. Indien je in het ziekenhuis bevalt op medische indicatie zal er ook vaak een CTG gemaakt worden. Deze blijft ook meestal aangesloten tot de baby geboren is. De arts zal het CTG continue in de gaten houden. Indien je bevalt met je eigen verloskundige wordt er over het algemeen geen CTG gemaakt. De verloskundige zal dan een aantal keer per uur naar het hartje luisteren.

Inwendige CTG registratie

Naast de uitwendige registratie is het ook mogelijk om inwendig te registeren. Het wordt gebruikt als de registratie niet goed te verkrijgen is of als er twijfel is over de conditie of de registratie. Hierbij wordt een inwendige druklijn geplaats welke tussen het hoofd van de baby en de baarmoeder komt te liggen. Doordat de lijn tussen het hoofd van de baby en de wand van de baarmoeder komt te liggen, moeten de vliezen gebroken zijn en moet er enige ontsluiting zijn (Heijneman, Evers, Massuger, & Steegers, 2007).
De registratie van de hartslag van de baby kan ook inwendig. Hierbij wordt een elektrode in de huid van de baby geplaatst waardoor ze de hartslag, en hierdoor ook de conditie, van het kind goed in de gaten kunnen houden. (Heijneman, Evers, Massuger, & Steegers, 2007)

Wat wordt er beoordeelt?

Tijdens het maken van een CTG wordt continue de hartslag van de baby en de bewegingen van de baby geregistreerd. Hierdoor komt overzichtelijk in een grafiek de conditie van de baby. De arts of verloskundige heeft bepaalde voorwaarden om te bepalen of het CTG goed, suboptimaal of niet goed is. Hierbij wordt gekeken naar de hartslag van de baby, of het een rechte lijn is of met bewegingen en of er diepe dalen zijn. Dit in relatie met de weeën of activiteit van de baarmoeder wordt bepaald wat de conditie van de baby is (Prins, Roosmalen, Scherjon, & Smit, 2014).

Wanneer wordt er een CTG gemaakt?

Tijdens de zwangerschap en bevalling kunnen er meerdere redenen zijn om te besluiten een CTG te maken. De voornaamste redenen zijn verdenking dat er iets mis kan zijn of preventieve controle bij bijvoorbeeld een aandoening. Het wordt in ieder geval in de volgende situaties gedaan (Heijneman, Evers, Massuger, & Steegers, 2007) (Sundstrom, Rosén, & Rosén, 2000);

  • Groeivertraging
  • ‘Over tijd’ na 42 weken zwangerschap
  • Onverklaarbaar bloedverlies
  • Zwangerschapsdiabetes bij gebruik van insuline
  • Afwijkende hartslag van de baby
  • Weeën opwekkers tijdens de bevalling
  • Pijnbestrijding met medicijnen
  • Meer dan 24 uur gebroken vliezen zonder weeën
  • Aangeboren afwijkingen
  • Stuitbevalling
  • Tweeling bevalling
  • Hoge bloeddruk
  • Als de baby in het vruchtwater heeft gepoept

Liefs, Francis
Verloskundige (i.o)

Bronnen:
Heijneman, M., Evers, J., Massuger, L., & Steegers, E. (2007). Obstetrie en gynaecologie. Maarssen: Elsevier gezondheidszorg.
Prins, M., Roosmalen, J. v., Scherjon, S., & Smit, Y. (2014). Praktische Verloskunde. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
Sundstrom, A.-K., Rosén, D., & Rosén, K. (2000). Foetale bewaking. Goteborg: Neoventa Medical AB.